Hoge Raad oordeelt voor eerst over het recht om vergeten te worden

bureau Brandeis / 28 feb 2017

We kennen allemaal de verwijderingsverzoeken die Google krijgt omdat mensen niet blij zijn met wat er over ze op internet te vinden is. Het gaat inmiddels om miljoenen verzoeken. Bij elk van die verzoeken moeten het economisch belang van Google worden afgewogen tegen het privacy belang van degene die het ‘right to be forgotten’ verzoek (‘RBTF’) indient. De Hoge Raad heeft nu voor het eerst geoordeeld dat daarbij doorgaans het belang van de verzoeker zwaarder moet wegen.

Op 13 mei 2014 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (“HvJ EU”) in het baanbrekende Costeja arrest[1] voor het eerst geoordeeld dat het weergeven van persoonsgegevens in zoekresultaten een verwerking van persoonsgegevens kan opleveren. De betrokkene kan onder omstandigheden op grond van de Dataprotectierichtlijn (“Richtlijn”)[2] deze persoonsgegevens laten verwijderen. Nu heeft ook de Hoge Raad voor de eerste maal geoordeeld over het ‘recht om vergeten te worden’.

 Wat is het recht om vergeten worden?

In de Costeja-zaak oordeelde het HvJ EU dat de activiteit van een zoekmachine die erin bestaat door derden op het internet gepubliceerde of opgeslagen informatie te vinden een verwerking van persoonsgegevens in de zin van de Richtlijn oplevert. Zoekmachine exploitanten, zoals bijvoorbeeld Google en Bing, zijn verantwoordelijke voor die verwerking van persoonsgegevens.

Het HvJ EU oordeelde verder dat een zoekmachine exploitant verplicht is om bij zoekresultaten die na een zoekopdracht op de naam van een persoon wordt weergegeven, de koppelingen te verwijderen naar webpagina’s van derden waarop informatie over deze persoon is te vinden. Zelfs indien deze naam of deze informatie niet vooraf of gelijktijdig van deze webpagina’s is gewist en, in voorkomend geval, zelfs wanneer de publicatie ervan op deze webpagina’s op zich rechtmatig is.[3] Hieruit volgt dat het recht van de betrokkenen om ‘vergeten’ te worden ook geëffectueerd kan worden als een aanvankelijk rechtmatige verwerking van exacte gegevens na verloop van tijd niet langer met de Richtlijn verenigbaar is omdat deze gegevens niet langer noodzakelijk zijn voor de doeleinden waarvoor zij zijn verzameld of verwerkt. Dit is met name het geval wanneer deze gegevens gelet op deze doeleinden en gelet op de verstreken tijd ontoereikend, niet of niet meer ter zake dienend of bovenmatig zijn.[4]

 Welke belangenafweging dient er gemaakt te worden?

Het HvJ EU oordeelde ook dat bij de belangenafweging artikel 7 (eerbiediging van het privé leven) en artikel 8 (bescherming persoonsgegevens) van het Europese Handvest[5] gewaarborgde grondrechten zijn die in beginsel voorop moeten worden gesteld. Dit zal niet het geval zijn indien de inmenging in de grondrechten van de betrokkene wegens bijzondere redenen zoals de rol die deze persoon in het openbare leven speelt, wordt gerechtvaardigd door het overwegende belang dat het publiek heeft om, door deze opneming, toegang tot de betrokken informatie te krijgen.[6]

Als gevolg van het Costeja-arrest is er een stroom aan met name lagere jurisprudentie[7] ontstaan over de vraag onder welke voorwaarden persoonsgegevens verwijderd dienen te worden door met name Google. Nu is er dus voor het eerst een arrest van de Hoge Raad.[8]

Wat zijn de feiten?

Eiser is in een aflevering van ‘Misdaadverslaggever’ van Peter R. de Vries verschenen. In de aflevering vertelt eiser, op heimelijke wijze via camera opgenomen, dat hij voornemens is om een concurrente in de escortbranche te laten liquideren. Eiser is mede op grond van de camerabeelden vervolgens veroordeeld tot zes jaar gevangenisstraf in eerste aanleg. Vervolgens is eiser in verschillende media genoemd waarbij steeds zijn volledige voornaam, tussenvoegsel en de eerste letter van zijn achternaam is gebruikt. Er is daarna ook een boek verschenen over deze zaak waarbij feiten en fictie door elkaar heen lopen. Eiser heeft vervolgens vastgesteld dat als zijn volledige voor- en achternaam bij Google Search worden ingetypt er zoekresultaten worden weergegeven van webpagina’s op amazon.com, books.google.nl en abebooks.com (“URL’s”) waarop informatie staat over het boek alsmede een verwijzing naar een artikel in het Algemeen Dagblad waarin wordt gesproken over veroordeling en de uitzending van ‘Misdaadverslaggever’.

Wat wil eiser bereiken?

Eiser is van mening dat de weergave van zijn persoonsgegevens in de bovengenoemde URL’s een inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer oplevert en vordert verwijdering van de zoekresultaten en doet daarbij zowel een beroep op art. 36 (verwijdering en afscherming van persoonsgegevens) als op art. 40 (verzet tegen verwerking persoonsgegevens wegens bijzondere omstandigheden) van de Wet bescherming persoonsgegevens (“Wbp”).

Wat hebben de rechtbank en het Hof geoordeeld?

Eiser wordt in zowel kort geding als in hoger beroep in het ongelijk gesteld en het gerechtshof stelt daarbij vast dat eiser in beginsel het recht heeft om vergeten te worden en kan verlangen dat de op hem betrekking hebbende informatie niet meer door opneming in een resultatenlijst van een zoekmachine ter beschikking wordt gesteld aan het grote publiek. Echter, verwijdering van de zoekresultaten is in het onderhavige geval niet gerechtvaardigd omdat eiser, kort gezegd, wordt vervolgd voor een recentelijk begaan ernstig misdrijf en daarvoor in eerste aanleg al is veroordeeld en dat hem niet het recht toekomt te worden gevrijwaard van zoekresultaten waardoor het publiek eiser mogelijk in verband kan brengen met dit misdrijf.

Wat oordeelt de Hoge Raad?

De Hoge Raad stelt in lijn met het Costeja arrest vast dat bij de beoordeling van een verzoek tot verwijdering het privacybelang van de betrokkene in de regel zwaarder weegt dan het economisch belang van de zoekmachine exploitant, en dat dit anders kan zijn in bijzondere gevallen, wanneer sprake is van bijzondere redenen die de inmenging in het recht op privacy rechtvaardigen.

Ten aanzien van de vraag of er in dit geval sprake is van bijzondere redenen stelt de Hoge Raad vast dat het Hof had behoren na te gaan of het publiek er belang bij heeft dat de desbetreffende zoekresultaten worden getoond als op de volledige naam van eiser wordt gezocht.. Het Hof heeft wel vastgesteld dat indien er sprake is van een ernstig delict, het publiek een groot belang heeft om geïnformeerd te worden over dit delict alsmede dat eiser de publicaties aan zichzelf heeft te wijten en dat die omstandigheden ertoe hebben geleid dat de publicatie omtrent de veroordeling van eiser rechtmatig is geweest. De Hoge Raad merkt in dat verband eerst op dat uit het Costeja arrest volgt dat ook bij een rechtmatige publicatie de betrokkene zijn recht om vergeten te worden met succes kan effectueren. De Hoge Raad maakt vervolgens korte metten met de voornoemde overwegingen van het Hof en stelt vast dat zij niet had mogen volstaan met deze constatering maar dat het Hof de elementen zoals het belang van het publiek om informatie te verkrijgen omtrent veroordeling van eiser, de rol die eiser in het openbare leven speelt alsmede de aard en omvang van het belang van eiser in een belangenafweging had moeten betrekken.

Ook het oordeel van het Hof dat het publiek dat zoekt op de volledige voornaam en achternaam van eiser niet met zekerheid kunnen vaststellen dat of de URL’s informatie bevatten over eiser omdat daar alleen zijn voorletter, tussenvoegsel en eerste letter van zijn achternaam is vermeld, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting volgens de HR. De eiser heeft immers voldoende belang tegen de vermelding op te treden als een aanzienlijk deel van het publiek zal veronderstellen dat hij de persoon is die daarin wordt bedoeld, zo oordeelt de Hoge Raad.

 Is het oordeel van de Hoge Raad wenselijk?

In overwegingen 80, 81, 88 en 97 van het Costeja-arrest wordt door het HvJ EU een duidelijk kader geschapen dat gehanteerd moet worden bij de belangenafweging. Het Hof heeft in haar arrest in het midden gelaten of zij bovengenoemde belangenafweging heeft toegepast almede hoe zij de overige relevante omstandigheden zoals het belang van het publiek om kennis te nemen van de veroordeling van eiser en bijvoorbeeld de aard en omvang van het belang van eiser heeft gewogen in die belangenafweging. Nu dergelijke elementen ontbreken, is het onduidelijk hoe die elementen in de belangenafweging onderling hebben uitgewerkt. Mijn inziens heeft de Hoge Raad het arrest van het Hof Amsterdam dan ook met een juiste motivering vernietigd.

Verder vind ik het wel opvallend dat de Hoge Raad niet van de gelegenheid gebruik heeft gemaakt om de verwerking van de bijzondere strafrechtelijke gegevens door exploitanten van zoekmachines nader te duiden. Deze zaak leende zich immers bij uitstek voor een nadere uitleg van de Hoge Raad hoe om te gaan met de verwerking van strafrechtelijke persoonsgegevens door exploitanten van zoekmachines.

In de conclusie van Advocaat-Generaal Jääskinen voorafgaand aan het Costeja arrest is expliciet door hem overwogen dat; “voor de verwerking van de persoonsgegevens op bronpagina’s van derden die ergens “bijzondere” gegevens in de zin van artikel 8 van de richtlijn (..) zouden bevatten automatisch illegaal worden zodra niet is voldaan aan de strenge voorwaarden die dat artikel stelt aan de verwerking van zulke gegevens.” [9]

 Hoewel in lagere jurisprudentie[10] al wel eens is geoordeeld dat de verwerking van strafrechtelijke persoonsgegevens door middel van zoekmachines in strijd is met de Wbp, was het desondanks wenselijk geweest als de Hoge Raad de verwerking van bijzondere persoonsgegevens en art. 16 Wbp in dit verband had uitgelegd. In art. 16 Wbp wordt immers bepaald dat de verwerking van persoonsgegevens van strafrechtelijke aard in beginsel verboden is, behoudens de uitzonderingsgronden van art. 22 jo. art 23 Wbp. Op grond van de huidige uitzonderingen in de Wbp kan Google Search de verwerking van bijzondere strafrechtelijke persoonsgegevens niet rechtvaardigen, zodat de verwerking van persoonsgegevens in beginsel in strijd zou zijn met de Richtlijn en de Wbp en een illegaal karakter verkrijgen. Tegenover het illegale karakter van de verwerking van bijzondere persoonsgegevens van de exploitant van de zoekmachine, staat natuurlijk het algemene belang dat de Google middels haar zoekmachine dient. Google Search speelt in mijn ogen een essentiële rol bij het beschikbaar maken en houden van relevante informatie, waaronder ook strafgegevens kunnen vallen. Het zou mijns inziens onder voorwaarden mogelijk moeten zijn om informatie over strafrechtelijke persoonsgegevens te laten verwerken door exploitanten van zoekmachines.[11] Het lijkt niet wenselijk als Google Search in het geheel geen bijzondere persoonsgegevens zou mogen verwerken aangezien het recht op toegang tot informatie dan onevenredig zou worden geschaad.

Het is dat belang dat in deze onbelicht is gebleven. Gezien de veelheid aan RTBF verzoeken lijkt het echter een kwestie van tijd voordat deze vraag specifiek door de Hoge Raad beantwoord zal moeten worden.

Lex Keukens

[1] HvJ EU, 13 mei 2014, C-131/12, (Google Spain/AEPD en Mario Costeja González).

[2] Pbl EU, Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens’, L 336/1.

[3] HvJ EU, 13 mei 2014, C-131/12, r.o 88.

[4] HvJ EU, 13 mei 2014, C-131/12, r.o. 93 en 94.

[5] Pbl EU, Handvest van de Europese Unie, 26 oktober 2012, C 326/02.

[6] HvJ EU, 13 mei 2014, C-131/12, r.o. 97 e.v.

[7] Zie recentelijk bijvoorbeeld Rb. Midden-Nederland, 20 februari 2017, ECLI:NL:RBMNE:2017:805; Rb. 25 januari 2017, ECLI:NL:RBOVE:2017:278.

[8] HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:316.

 

[9] Conclusie van advocaat-generaal N. Jääskinen van 25 juni 2013 bij HvJ EU 13 mei 2014, nr. C-131/12, (Google Spain/AEPD en Mario Costeja González), r.o 90.

[10] Rb. Rotterdam, 14 april 2016 r.o. 4.10.4; “Nu het verzoek strafrechtelijke persoonsgegevens betreft, geldt in beginsel het verbod van verwerking van deze gegevens zoals is bepaald in artikel 16 Wbp. Voorts is niet gebleken van een van de uitzonderinggronden die limitatief en exclusief zijn opgesomd in artikel 22 Wbp op de toepassing van het verbod tot verwerking van de strafrechtelijke persoonsgegevens. Hoewel de rechtbank zich bewust is van het vergaande praktische gevolg voor de verwerking van strafrechtelijke persoonsgegevens door de exploitant van een zoekmachine, acht de rechtbank de conclusie onvermijdelijk dat er in dit geval sprake is van een toepasselijk verbod op de verwerking van strafrechtelijke persoonsgegevens. De rechtbank acht derhalve het verzoek om Google te bevelen de verwijzing naar de weblinks die voortkomen uit de zoekopdracht naar de naam van verzoeker uit de zoekresultaten te verwijderen dan wel af te schermen, reeds hierom toewijsbaar.”

[11] Zie in dit verband; Mr. F.C. van der Jagt, Computerrecht 2015/126.

Gerelateerde artikelen

Mee naar de Messe

Hans Bousie / 10 okt 2019

Onder de titel `Mee naar de Messe 2019` worden drie `jonge ambitieuze boekenvakkers´ op initiatief van GAU en Stichting Elspeet meegenomen op geen geheel verzorgde reis naar Frankfurt. Om in aanmerking te komen moesten de…

Rechtspraak informatierecht week 30

Oskar Mulder / 26 jul 2019

bureau Brandeis publiceert regelmatig een selectie van rechtspraak in het kader van het informatierecht. Week 30: 22 juli 2019 t/m 26 juli 2019 EHRM 25 juli 2019, no. 47542/07, Brzezinski v. Poland (Press release)(Violation of article 10. Breach of…