Proceskosten; is het liquidatietarief redelijk en evenredig?

Floor Eikelboom / 05 jan 2017

Wie wordt gedwongen om te procederen, wordt gedwongen om proceskosten te maken. De hoofdmoot van die kosten bestaan uit advocatenkosten. Het is redelijk dat die kosten worden vergoed door degene die het ten onrechte op een procedure liet aankomen. Bij een gewonnen procedure is dat gedaagde en bij een verloren procedure de eiser. De wet bepaalt dat ook.

Dat heeft echter een keerzijde. De mogelijkheid van een hoge proceskostenveroordelingen kan een afschrikwekkend effect hebben. Wie durft het aan om te procederen, als hij het risico loopt de – gepeperde – advocatenrekening van zijn opponent te moeten betalen? De uitkomst van een procedure is niet altijd met zekerheid te voorspellen, al was het maar omdat een advocaat ook verrast kan worden met nog onbekende feiten. Aldus bezien, belemmeren hoge proceskostenveroordelingen de toegang tot het rechter.

In Nederland wordt er daarom van oudsher voor gekozen om slechts een fractie van de advocatenkosten te vergoeden. De rechter werkt met fictieve – “forfaitaire” – advocatenkosten, een enkele uitzondering daargelaten. Het zogeheten “liquidatietarief”. Per proceshandeling, bijvoorbeeld een dagvaarding, conclusie van antwoord of zitting, worden punten toegekend. Ieder punt is een bepaald bedrag aan proceskosten waard. Hoe groter het financiële belang van de zaak, hoe hoger dat bedrag. In een bodemprocedure voor de rechtbank was in 2017 bijvoorbeeld ieder punt € 3.211 waard in zaken met een financieel belang boven € 1 miljoen. Voor het opstellen van bijvoorbeeld een dagvaarding wordt dus € 3.211 vergoed. Een dergelijk bedrag is mogelijk kostendekkend in een zaak met een bescheiden financieel belang (zeg beneden de € 10.000), maar staat in geen verhouding met de kosten van het opstellen van een dagvaarding in een miljoenenzaak. In een zaak met een financieel belang van minder van € 10.000 is een punt overigens slechts € 384 waard. Dat bedrag dekt enkele uren aan advocatenkosten en binnen die uren is het niet of nauwelijks mogelijk om een op de zaak toegesneden processtuk te schrijven.

Het liquidatietarief is niet alleen laag in vergelijking tot de daadwerkelijke kosten, maar brengt tevens mee dat de hoogte van een eventuele proceskostenveroordeling voorspelbaarder is. Partijen hoeven dus niet te vrezen dat de proceskosten onverwacht hoog uitvallen.

Het liquidatietarief maakt procederen dus minder afschrikwekkend, maar heeft ook een keerzijde. Als de reële proceskosten niet worden vergoed, wegen de baten van een procedure eerder niet op tegen de kosten, ook voor wie gelijk heeft. Ook te lage proceskostenveroordelingen belemmeren dus de toegang tot de rechter.

Bij het bepalen van de juiste hoogte van een proceskostenveroordeling is dus kiezen tussen twee kwaden.

Wat het gewenste niveau van een proceskostenveroordeling ook is: niet voor betwisting vatbaar lijkt dat het toegewezen bedrag redelijk en evenredig moet zijn. Voor zaken over intellectuele eigendomsrechten, zoals auteursrechten, bepaalt de wet dat expliciet. Zulks naar aanleiding van de EU Handhavingsrichtlijn met betrekking tot intellectuele eigendomsrechten. Dit zou echter ook voor andere zaken moeten gelden. Het slechts toekennen van een onredelijk en onevenredig deel van de proceskosten is immers onverenigbaar met de aard van het rechtspreken. De beslissingsruimte voor de rechter zit hem in welk deel van de proceskosten redelijk en evenredig is.

Recent liet het Hof van Justitie van de Europese Unie zich uit over de redelijkheid en evenredigheid van een proceskostenveroordeling op basis van de Belgische variant van het liquidatietarief. Het hanteren van een dergelijk tarief kan redelijk en evenredig zijn, zo oordeelde het Hof, maar enkel indien is gewaarborgd dat een “significant en passend deel van de redelijke kosten” wordt vergoed.

Het Nederlandse liquidatietarief bevat een dergelijke waarborg niet. Sterker nog, het vormt juist een waarborg tegen het vergoeden van een significant deel van de kosten (tenzij het gaat om de meest eenvoudige zaken, zoals een rechttoe rechtaan incasso van een onbetwiste vordering).

De uitspraak van het Hof zal ook door de Nederlandse rechter moeten worden toegepast. Strikt genomen, hoeft dat enkel in zaken over intellectueel eigendom (meer specifiek over zaken die worden bestreken door genoemde richtlijn). In andere zaken biedt het EU-recht de Nederlandse rechter de ruimte om te oordelen dat een redelijke en evenredige vergoeding van proceskosten beperkt kan blijven tot een fractie van de daadwerkelijke kosten. Bijvoorbeeld, om de toegang tot de rechter open te houden.

Maar is dat wel uit te leggen aan degenen die ten onrechte op proceskosten zijn gejaagd? Is een geschil over intellectuele eigendomsrechten echt zo verschillend van andere geschillen, dat het redelijk en evenredig is dat in het ene geval een significant deel van de proceskosten wordt vergoed en in het andere geval niet?

Gerelateerde artikelen

bB publiceert in GLI: Cartels 2019

bureau Brandeis / 05 mrt 2019

Onlangs verscheen Global Legal Insights to Cartels 2019. Hans Bousie, Louis Berger en Rieneke Reijnen schreven het hoofdstuk over procederen over kartelschade in Nederland. De auteurs bespreken de voordelen die procederen in dergelijke zaken voor…

Aandeelhoudersgeschillen en de geschillenregeling

Floor Eikelboom / 20 jan 2019

Voor welke aandeelhoudersgeschillen biedt de geschillenregeling een oplossing? Samenwerken is mensenwerk en niets menselijks is samenwerking dan ook vreemd. Soms halen mensen het beste in elkaar boven en stijgen zij samen uit boven de som…