De reparatieclausule in het modellenrecht

Paul Geerts / 24 mei 2017

Het tekeningen- en modellenrecht (hierna: modellenrecht) beschermt het uiterlijk van (gebruiks)voorwerpen die nieuw zijn en een eigen karakter hebben. Dat betekent heel in het kort dat (gebruiks)voorwerpen die in vergelijking met het vormgevingserfgoed een ander uiterlijk hebben/een eigen gezicht hebben, in aanmerking komen voor modelrechtelijke bescherming. Die bescherming verkrijgt men door het model in het daarvoor bestemde register in te schrijven, waardoor de rechthebbende concurrenten van de markt kan weren die (gebruiks)voorwerpen op de markt brengen die te veel lijken op die van de modelrechthebbende.

Op dit monopolie van de modelrechthebbende bestaat een aantal beperkingen. Eén daarvan is de zogenoemde reparatieclausule. Deze beperking ziet op reparatieonderdelen en heeft voornamelijk betrekking op auto-onderdelen. Auto’s bestaan uit verschillende onderdelen. Niet alleen de auto als geheel kan voorwerp van een modelrecht zijn, maar ook bepaalde (zichtbare) onderdelen (bijvoorbeeld de motorkap of de grille) waaruit de auto is samengesteld. Na een frontale aanrijding moet de grille vervangen worden door een identieke grille. Het betreft immers een zogenoemd must match-onderdeel. Wie een modelrecht heeft op de auto en op de onderdelen ervan, beheerst de markt voor de reparatie van de auto, omdat niemand anders dan de rechthebbende dergelijke modelrechtelijk beschermde onderdelen mag produceren en alleen identiek vormgegeven onderdelen verkoopbaar zijn. Daardoor is iedere concurrentie op de auto-onderdelenmarkt uitgesloten. Dat werd door de wetgever onwenselijk geacht en daarom is de zogenoemde reparatieclausule in de wet opgenomen. Het is een beperking van het modelrecht. De modelrechthebbende kan zich namelijk niet verzetten tegen de verhandeling van reparatieonderdelen. Hierdoor kunnen onafhankelijke fabrikanten van onderdelen toetreden tot de reparatiemarkt.

Must match-onderdeel

Op zichzelf is dit een vrij overzichtelijke regeling. Een vraag is echter nog wel wat precies een must match-onderdeel is. Vallen daar bijvoorbeeld ook velgen van auto’s onder? Die vraag is onlangs aan het Hof van Justitie EU voorgelegd.[1] Zoals wel vaker het geval is staan op dit punt twee leren tegenover elkaar. Volgens de in Duitsland en Engeland heersende leer is de werkingssfeer van de reparatieclausule beperkt tot onderdelen waarvoor bij reparaties objectief noodzakelijk is dat ze uiterlijke kenmerken vertonen die getrouw overeenstemmen met het origineel. Onderdelen die als resultaat van een gekozen design een zelfstandige en onafhankelijke stilistische functie hebben waar het design van de rest van het voortbrengsel geen afbreuk aan doet, zoals velgen en wieldoppen voor motorvoertuigen, komen volgens deze opvatting echter niet voor een geprivilegieerde behandeling in aanmerking. Een ander geluid (in jurisprudentie en literatuur) komt met name uit Italië. Daar heeft men zich in het belang van de vrije mededinging uitgesproken tegen een restrictieve interpretatie van de beschermingshindernis in de zin dat die zich zou beperken tot vormgebonden onderdelen.

Het zal nog wel even duren voordat het Hof van Justitie EU uitspraak doet. Voor wat het op dit moment waard is: persoonlijk voel ik veel voor de restrictieve interpretatie van de reparatieclausule. Ik verwijs in dit verband naar een beslissing van Justice Arnold in een Engelse zaak:

“For the reasons given above, I have concluded that Article 110(1) only applies to component parts of a complex product “upon whose appearance the protected design is dependent” in the words of recital (13). In other words, Article 110(1) enables the replacement of parts which “must match” the overall design of the product. The purpose of this is to ensure that the original equipment manufacturer cannot monopolise the aftermarket where the owner of the product has no realistic alternative to replacing the part with one of the same design if the original part becomes damaged. In the case of a motor car, this means parts such as body panels, bumpers and windows. In my judgment the designs of alloy wheels of the kind in issue are not dependent on the appearance of the car, because it is clear from the evidence that replacement of wheels of one design with wheels of a different design is a perfectly realistic option”.[2]

In mijn ogen is dit een overtuigende beslissing. Bovendien moet ook niet vergeten worden dat in het geval (niet gemerkte) replica velgen wel als reserveonderdelen aangemerkt worden, het lastig zal zijn (zo niet onmogelijk) om objectief te waarborgen dat die velgen uitsluitend verkrijgbaar zijn voor reparaties en niet ook nog voor andere doeleinden, zoals de opwaardering of individualisering van de auto in zijn geheel. Welke maatregelen moet de fabrikant treffen om dat te waarborgen? Zie hier de vierde prejudiciële vraag in de Acacia/Porsche-zaak: Volstaat het dan a) dat de aanbieder er in de verkoopbrochure op wijst dat het product alleen wordt verkocht voor reparaties om het voortbrengsel in zijn geheel weer zijn oorspronkelijke uiterlijke kenmerken te geven, of b) is het nodig dat de aanbieder alleen bereid is te leveren onder voorwaarde dat de afnemers (zowel handelaars als consumenten) schriftelijk verklaren het aangeboden voortbrengsel alleen voor reparaties te zullen gebruiken?[3]

Ik zie de antwoorden van het Hof van Justitie EU op al deze vragen met belangstelling tegemoet.

Inmiddels is al wel duidelijk geworden dat fabrikanten van reserveonderdelen zonder toestemming van de merkhouder, geen merken van de autofabrikanten op hun reserveonderdelen mogen aanbrengen. Doen zij dat wel dan is sprake van merkinbreuk. Wanneer dus het Hof van Justitie EU zou beslissen dat velgen als must match-onderdelen moeten worden beschouwd (wat ik overigens niet verwacht), dan staat in ieder geval al vast dat de fabrikanten van deze replica velgen op hun waren geen merken van autofabrikanten mogen aanbrengen.[4]

[1] Zie Prejudiciële gestelde vragen gesteld aan HvJ EU 15 september 2016 C-397/16, (Acacia/Audi) en Prejudiciële vragen gesteld aan HvJ EU 2 juni 2016 (C-435/16) (Acacia/Porsche).

[2] High Court of Justice Chancery Division 27 july 2012, [2012] EWHC 2099 (BMW/Round and Metal).

[3] Prejudiciële vragen gesteld aan HvJ EU 2 juni 2016, C-435/16 (Acacia/Porsche).

[4] HvJ EU 6 oktober 2015, C-500/14 (Ford/Wheeltrims).

Gerelateerde artikelen

De leugendetector

Hans Bousie / 06 dec 2021

Mijn dochter van 8 vroeg voor en kreeg op pakjesavond een leugendetector. Niet een echte, heuse polygraaf waar haar ouders haar mee onder druk zouden kunnen zetten; maar een gevalletje van Intertoys. Ze had daarvan…

Waarom eigenlijk?

Hans Bousie / 15 nov 2021

Op dit moment lees ik Orwell’s roses van Rebecca Solnit. Ze beschrijft daarin hoe ze op zoek gaat naar de rozenstruiken die Orwell ooit geplant heeft. En verdomd die struiken bestaan nog en als ze…