De beschrijvende handelsnaam

Paul Geerts / 02 okt 2017

Er is de laatste tijd veel te doen over beschrijvende handelsnamen. Een handelsnaam hoeft geen onderscheidend vermogen te bezitten om handelsnaam te kunnen zijn. Beschrijvende handelsnamen zijn deugdelijke handelsnamen, waarvoor bescherming kan worden ingeroepen. De Ongedierte Bestrijder is, hoewel beschrijvend, een geldige handelsnaam. Met andere woorden: het hebben van onderscheidend vermogen is voor de handelsnaam geen ontstaansvereiste.

De centrale vraag is nu echter of de beschermingsomvang van beschrijvende handelsnamen geringer is. Die vraag is met name gerezen naar aanleiding van een recent arrest van de Hoge Raad.[1] Uit dat arrest zou afgeleid kunnen worden dat beschrijvende handelsnamen inderdaad minder bescherming genieten. De gedachte is dan dat het voor eenieder mogelijk moet zijn zich van een aanduiding te bedienen die beschrijvend is voor zijn diensten of producten, ook in een handelsnaam (ook wel genoemd Freihaltebedürfnis of behoefte aan vrijhouding). Dit is een regel van algemeen belang en voorkomt dat beschrijvende aanduidingen door één enkele onderneming gemonopoliseerd kunnen worden. Aan deze regel van algemeen belang kan in het handelsnaamrecht invulling gegeven worden door aan beschrijvende handelsnamen een geringe(re) beschermingsomvang toe te kennen. Gebruikt een derde eenzelfde beschrijvende aanduiding en ontstaat daardoor verwarring, dan handelt hij alleen onrechtmatig indien bijkomende omstandigheden dat meebrengen.

Het punt is nu echter dat het Artiestenverloning-arrest van de Hoge Raad niet over een beschrijvende handelsnaam ging, maar over een beschrijvende domeinnaam. Daarom is nog niet iedereen ervan overtuigd dat de regel uit het Artiestenverloning-arrest van de Hoge Raad ook geldt voor beschrijvende handelsnamen. In een arrest van twee weken geleden is het Hof Den Haag heel duidelijk: de regel uit het Artiestenverloning-arrest van de Hoge Raad geldt ook voor beschrijvende handelsnamen.[2]

Het Hof beroept zich daarbij op de parlementaire geschiedenis van de Handelsnaamwet en leest het Artiestenverloning-arrest van de Hoge Raad aldus dat daarin de Freihaltebedürfnis “tenminste enige rol speelt”. Dat betekent dat voor een louter beschrijvende handelsnaam de bescherming van de Handelsnaamwet alleen met vrucht kan worden ingeroepen wanneer, naast verwarringsgevaar, sprake is van bijkomende omstandigheden. Dat geldt voor alle beschrijvende handelsnamen dus zowel voor gebruikelijk beschrijvende handelsnamen (schoenenwinkel), als voor ongebruikelijke beschrijvende handelsnamen (schoeiselwinkel).

Een en ander kan als volgt worden samengevat. Voor gewone handelsnamen geldt dat wanneer op basis van een oudere handelsnaam krachtens art. 5 Handelsnaamwet wordt opgetreden tegen een andere handelsnaam, een verbod kan worden opgelegd indien er sprake is van verwarringsgevaar (‘voor zover dientengevolge (…) bij het publiek verwarring tussen die ondernemingen te duchten is’). Wordt echter opgetreden op basis van een louter beschrijvende handelsnaam, dan volstaat verwarringsgevaar niet; in zo’n geval is, naast verwarringsgevaar, ook de aanwezigheid van bijkomende omstandigheden vereist om een verbod krachtens art. 5 Handelsnaamwet te rechtvaardigen. Dit is af te leiden uit de wetgeschiedenis en wordt bevestigd in het Artiestenverloning-arrest van de Hoge Raad. Een uitzondering is denkbaar indien de louter beschrijvende handelsnaam in hoge mate ongebruikelijk is of indien de louter beschrijvende handelsnaam er bij het publiek is ingehamerd, waardoor die naam daadwerkelijk bekendheid bij het publiek heeft verworven en dat het publiek daardoor die naam niet langer als louter beschrijvend percipieert, maar als naam van een bepaalde onderneming. De beschrijvende naam is dan ingeburgerd en in dergelijke gevallen zou verwarringsgevaar kunnen volstaan.

Omdat de eisende partij niet aannemelijk heeft kunnen maken dat haar beschrijvende handelsnaam Parfumswinkel was ingeburgerd, heeft het Hof haar verbodsvordering afgewezen. Dat betekent dat de aangevallen concurrent haar handelsnaam Parfumswebwinkel gewoon mag blijven gebruiken.

Over beschrijvende handelsnamen zal nog veel geprocedeerd worden. Mocht u over dit onderwerp nog vragen hebben dat kunt u bij de advocaten van bureau Brandeis terecht.

 

[1] HR 11 december 2015, NJ 2016/79 (Artiestenverloning/Prae Artiestenverloning).

[2] Hof Den Haag 19 september 2017, IEF 17114 (Parfumswinkel).

Gerelateerde artikelen

Rechtspraak informatierecht week 17

Oskar Mulder / 26 apr 2019

bureau Brandeis publiceert regelmatig een selectie van rechtspraak in het kader van het informatierecht. Week 17: 22 april 2019 t/m 26 april 2019 Conclusie A-G Van Peursem HR 29 maart 2019 (Merkenrecht. Zijn de wezenlijke kenmerken van een vormmerk, i.c….

Rechtspraak informatierecht week 16

Oskar Mulder / 19 apr 2019

bureau Brandeis publiceert regelmatig een selectie van rechtspraak in het kader van het informatierecht. Week 16: 15 april 2019 t/m 19 april 2019 EHRM 16 april 2019, no. 19965/06, Kamoy radyo televizyon ve organizasyon A.S. v. Turkey (Press release)(Retroactive application…