Aandeelhoudersgeschillen en de geschillenregeling

Floor Eikelboom / 20 jan 2019

Voor welke aandeelhoudersgeschillen biedt de geschillenregeling een oplossing?

Samenwerken is mensenwerk en niets menselijks is samenwerking dan ook vreemd. Soms halen mensen het beste in elkaar boven en stijgen zij samen uit boven de som der delen. Helaas, werkt het ook wel eens omgekeerd en is het niet – zoals het cliché wil – 1 + 1 = 3, maar 1 + 1 = 0. Dat is vaak een bron van aandeelhoudersgeschillen.

In die gevallen ligt het voor de hand om de samenwerking te stoppen, maar dat is niet altijd gemakkelijk. Wie bijvoorbeeld samenwerkt in een BV, is soms wel bereid om daarmee te stoppen, maar dan alleen als hij of zij een fatsoenlijke prijs ontvangt voor zijn of haar aandelen. En over die prijs denken de aandeelhouders vaak heel verschillend, zeker indien de samenwerking toch al (ernstig) spaak loopt. Partijen komen er daarom vaak onderling niet uit. De aandeelhouders kunnen alleen uit elkaar, als ze de ander daartoe kunnen dwingen.

Soms kunnen de aandeelhouders dan terugvallen op een regeling – door juristen aangeduid als “geschillenregeling” – die ze hiervoor (eerder) zelf troffen, bijvoorbeeld in de statuten, of (aandeelhouders)overeenkomst. Voor zover een dergelijke regeling ontbreekt, kunnen de aandeelhouders terugvallen op de wet (Titel 2:8 BW, Afdeling 1).

Wat regelt een geschillenregeling voor aandeelhouders?

Een complete geschillenregeling geeft een antwoord op drie vragen:

  • De eerste vraag is wanneer; wie; en wat. Anders gezegd: in welke gevallen moet of mag welke aandeelhouder de andere aandeelhouder uitkopen. Regelmatig bevatten de statuten van een BV op dit punt een summiere regeling. Statuten bepalen min of meer standaard dat een aandeelhouder zijn aandelen moet aanbieden aan zijn medeaandeelhouders, indien een ander het voor het zeggen krijgt bij één van de aandeelhouders (bijvoorbeeld door een faillissement). In aanvulling daarop bepaalt de wet, kort gezegd, dat (art. 2:336 BW) aandeelhouders die de BV ernstig schaden, gedwongen kunnen worden uitgekocht en dat (art. 2:343 BW) aandeelhouders die ernstig worden geschaad door hun medeaandeelhouders het recht hebben om te worden uitgekocht. In de statuten of een (aandeelhouders)overeenkomst kan men echter ook kiezen voor een eigen – andere – regeling.
  • De tweede vraag is de hoogte van de prijs: welk bedrag moet de uitkopende aandeelhouder betalen voor de aandelen? Ook hier geldt weer dat de statuten of een (aandeelhouders)overeenkomst een eigen prijsbepalingsmechanisme kunnen bevatten. Als zo’n regeling ontbreekt, bepaalt de rechter de prijs (art. 2:340 BW), meestal nádat eerst onafhankelijke deskundigen daarover een rapport uitbrengen (art. 2:339 BW).
  • De derde vraag is in hoeverre – al dan niet vermeend – ongeoorloofd gedrag zijn weerslag mag hebben op de prijs voor de aandelen. Is het bijvoorbeeld relevant dat de ene aandeelhouder de gezamenlijke BV beconcurreert en deze BV daardoor minder winst en omzet maakt? En zo ja, hoe gaat men daarmee dan om? Wordt de prijs daardoor lager? Of zou het juist niet uit mogen maken en moet men uitgaan van de (theoretische) situatie dat geen concurrentie plaatsvond? Vaak ontbreekt een regeling op dit punt in de statuten of (aandeelhouders)overeenkomst. In dat geval kan de rechter een billijke verhoging van de prijs opleggen, indien de desbetreffende waarde verminderende omstandigheden naar het oordeel van de rechter niet voor rekening hoeven te komen van de aandeelhouder die het recht heeft om te worden uitgekocht (art. 2:343 lid 4 BW). Een eigen regeling is echter ook mogelijk in de statuten of (aandeelhouders)overeenkomst, bijvoorbeeld een regeling die specifiek is toegeschreven op de overeengekomen waarderingsformule en de in dat kader relevante factoren.
Prijsbepalingsgeschillen bij aandeelhoudersgeschillen

Deze derde vraag is vaak het hete hangijzer als aandeelhouders uit elkaar willen. De samenwerking is niet voor niets spaak gelopen. Ruziënde aandeelhouders willen vaak niets liever dan uit elkaar gaan, maar dan alleen als ze bij de waardering van de aandelen niet opdraaien voor het – in hun ogen – ongeoorloofde gedrag van de ander. Maar die ander wil natuurlijk niet toegeven iets fout te hebben gedaan en wil daarvoor al helemaal niet betalen.

Dit ligt ook niet altijd even zwart-wit. Denk aan de situatie dat een (minderheids)aandeelhouder zich niet meer actief met de gezamenlijke BV wil bemoeien en gebruik wil maken van een overeengekomen recht om te worden uitgekocht. Er is dan een grote kans dat de achterblijvende (meerderheids)aandeelhouder het redelijk vindt dat hij of zij een hogere management vergoeding krijgt, omdat nu alles op zijn of haar schouders terecht komt. De kans is echter even zozeer groot dat de (minderheids)aandeelhouder de management vergoeding verhoging te hoog vindt en meent dat deze (vooral) is bedoeld om de waarde c.q. prijs van zijn of haar aandelen te drukken. Moet dan bij het bepalen van de prijs voor de aandelen rekening worden gehouden met de verhoging van de management vergoeding of juist niet?

Daarnaast komt het helaas voor dat in het zicht van de uitkoop welbewust allemaal maatregelen genomen worden om de waarde van de aandelen te drukken.

Waarderingsformules en prijscorrecties

Hiervoor kwam reeds ter sprake dat “eigen” geschillenregelingen voorrang hebben boven de wettelijke geschillenregeling. Het is echter niet altijd zonneklaar op welke punten de aandeelhouders een eigen regeling hebben en op welke niet. Indien bijvoorbeeld in de statuten is bepaald dat de prijs wordt bepaald door middel van een bepaalde formule, kan dan nog een billijke verhoging van de koopprijs worden gevorderd, of is dat juist uitgesloten met de keuze voor de desbetreffende formule?

Zo in zijn algemeenheid is die vraag niet te beantwoorden. Het hangt af van wat de aandeelhouder concreet afspraken. Indien bijvoorbeeld de aandeelhouders welbewust kozen voor een prijs die niet de daadwerkelijke waarde van de aandelen reflecteert, ligt het toch nog verkrijgen van een billijke verhoging van de prijs niet voor de hand. Indien daarentegen de prijs (mede) afhankelijk is van factoren die een meerderheidsaandeelhouder/bestuurder (op al dan niet ongeoorloofde wijze) kan manipuleren, ligt het niet voor de hand om aan te nemen dat de minderheidsaandeelhouder er mee instemde dat hij of zij geen billijke verhoging kon vorderen.

Dit geldt ook als de aandeelhouders zijn overeengekomen dat deskundigen de prijs voor de aandelen bepalen. Ook in dat geval is niet uitgesloten dat, bovenop de door de deskundigen bepaalde prijs, de rechter een billijke verhoging van de prijs kan toewijzen.

Gerelateerde artikelen

Regeerakkoord: 250 dagen bedenktijd; een vraagteken

Floor Eikelboom / 12 okt 2017

  Het regeerakkoord kondigt maatregelen aan die de invloed van bepaalde activistische aandeelhouders, die vooral zouden zijn gericht op de korte termijn, aan banden te leggen. Een van deze maatregelen is de zogeheten “bedenktijd” van…